Logo: DogNature: uw hond natuurlijk gezond

Natuurgeneeskunde voor dieren

Hippocrates, (ca. 377 v.Chr.), grondlegger van de natuurgeneeskunde, ging ervan uit dat het welzijn, de gezondheid, van het individu afhankelijk is van het al dan niet in balans zijn van lichaamsvochten zoals bloed, slijm, en gal. Hij gaf hiermee aan dat balans, evenwicht, een heel belangrijk begrip is in de geneeskunde. Ook bij het welzijn van ons dier gaat het om het behoud van balans.
De uitgangspunten en aanwijzingen van Hippocrates werden door geneesheren eeuwenlang gevolgd, maar omstreeks de achttiende eeuw kwam een meer wetenschappelijke benadering van de geneeskunst naar voren en daaruit ontstond onze hedendaagse ‘reguliere’ of ‘allopathische’ geneeskunde. Bij deze vorm van genezen probeert men het probleem zoveel mogelijk te isoleren om het te kunnen behandelen. Dit kan echter leiden tot symptoombestrijding, waarmee de klacht wel even verdwijnt, maar later in een andere, of heftiger vorm terug komt.
De natuurgeneeskunde zoekt juist de ‘holistische’ benadering, kijkt naar het geheel, de samenwerking tussen lichaam, geest en omgevingsfactoren, om de balans, vooral door het zelfgenezend vermogen van het dier, te herstellen.
In de natuurgeneeskunde werken we vanuit een aantal uitgangspunten waarvan de belangrijkste zijn:


Voor de hond kunnen de volgende factoren een rol spelen:
- Sociale factoren: woont de hond alleen of met soortgenoten in huis? Wat is zijn positie in de roedel? Woont hij in een druk gezin of bij een ouder echtpaar?
- Huisvesting: op een flat, met een tuin, in de stad of op het platteland, in de woonkamer of in een kennel buiten.
- Soort activiteiten: hondensport, werk als speurhond of jachthond, als hulphond of reddingshond, of huishond zonder speciale bezigheden.
- Fokbeleid: kan van invloed zijn op het welzijn van ons dier. Denk maar aan de Franse Buldog, wiens achterlijf zo smal is gefokt dat ze veelal niet meer zelfstandig pups kunnen krijgen; de honden met zoveel rimpels in hun huid, dat wij ze voortdurend moeten onderhouden om te zorgen dat zich daarin geen vuil ophoopt.
- Het dier in zijn oorspronkelijke levensvorm: de wolf leefde binnen de sociale structuur van de roedel. Hij leefde van de jacht. Op een bepaald punt in de evolutie koos een deel van de wolven ervoor om het leven te delen met de mens. Langzaam maar zeker kwam hij dichter bij de menselijke kampvuren en ging uiteindelijk de voordelen van het samen leven met de mens waarderen boven zijn roedelbestaan. De wolf raakte ‘gedomesticeerd’; maar een deel van zijn natuurlijke aanleg bleef intact en is nog terug te vinden in het gedrag van onze huidige huishond. Moet de hond zijn natuurlijke gedrag voortdurend onderdrukken, dan kunnen gedrags- of lichamelijke problemen het gevolg zijn. Alleen blijven bv., is iets dat de hond moet leren. Van nature is een hond een sociaal dier en niet graag alleen. Wordt hij toch te snel te lang alleen gelaten en bijt hij de boel kapot, dan doet hij dat niet om ongehoorzaam te zijn, maar omdat hij moeite heeft met het alleen zijn. We moeten dus maatregelen nemen, bv. de hond alsnog, in stapjes leren alleen te zijn, en/of een uitlaatservice inhuren om de hond mee te nemen.
Om natuurgeneeskunde goed te kunnen begrijpen en toepassen moet men dus kennis hebben van de evolutie van het dier, de psyche van het dier, zijn huidige levensomstandigheden en de oorzaak van de symptomen.
Bij de behandeling van een dier heeft de natuurgeneeskundige verschillende mogelijkheden:

In sommige gevallen echter moeten we constateren dat de werking van natuurlijke middelen, onder invloed van de huidige leefomstandigheden niet voldoende is.
Veel van de huidige ziekteproblemen worden veroorzaakt door de hedendaagse levensomstandigheden van het dier. De hond bv. die tijdens zijn wandeling gif binnenkrijgt. Als hij niet in de stad loopt en veel gras kan eten, zal hij al gauw braken en het gif naar buiten werken voordat het zijn afbrekende werk heeft kunnen doen. Wandelt hij echter tussen huizen in de stad en kan hij niet snel genoeg in de buurt komen van gras, dan zal hij na de wandeling naar binnen gaan met nog steeds het gif in het lichaam. Het gif krijgt vervolgens volop de gelegenheid zijn schadelijke werk te doen. De effecten daarvan zijn zo heftig dat een natuurlijk middel daarop geen afdoende antwoord kan zijn. Gedurende de laatste eeuw hebben wij dus een geneeskunde ontwikkeld die aansluit bij een deel van deze “nieuwe” problemen. Het terug willen keren naar een vorm van uitsluitend natuurlijk genezen is mooi, maar lang niet altijd haalbaar. Daarom zien natuurgeneeskundigen de natuurlijke geneeswijzen als aanvulling op de ‘reguliere’ diergeneeskunde.
Hoe vullen ze elkaar aan?
Stap 1. De natuurgeneeskundige adviseert maatregelen.
Stap 2. Wanneer dat niet voldoende is, zijn natuurlijke middelen de volgende stap.
Stap 3. Wanneer ook dát niet voldoende is, zal de natuurgeneeskundige een reguliere aanpak adviseren, die in sommige gevallen nog ondersteund kan worden door natuurlijke middelen.
Stap 4. De natuurgeneeskundige zet natuurlijke middelen in bij de chronische gevallen waarop de reguliere geneeskunst geen antwoord meer heeft. De natuurlijke middelen kunnen in dat geval, omdat zij de totaalbalans van het lichaam niet aantasten, vaak nog proces vertragend en symptoomverlichtend werken.